Geheimschrift voor toerskiërs: S 5.4 E 4 AD+
Er zijn diverse waarderingssystemen voor toerskiroutes in omloop. Hoogtelijn zet de belangrijkste systemen voor je op een rijtje en legt ze uit.
Tekst en foto's: Rogier van Rijn
Routewaarderingssystemen zijn hulpjes bij de tochtenplanning. Ze geven een indicatie van de moeilijkheidsgraad, maar geven beslist geen absolute zekerheid. Bedenk dat ook veel andere factoren invloed hebben op het verloop van een tocht. Om er een paar te noemen: het weer, jouw conditie en natuurlijk de terreingesteldheid. Een mooie verse laag poeder maakt alles een heel stuk gemakkelijker dan een grijze lap ijs. Informeer altijd ter plekke naar de actuele conditie van de door jullie beoogde route.
Toerskiën is een alpiene sport; je eigen oordeel over de omstandigheden is dus zeer belangrijk. Wil je daar meer ervaring mee opdoen, neem dan deel aan het toerskiprogramma van de NKBV en NSkiV of ga op stap met een gediplomeerde berggids.
Steilte
Dit is waarschijnlijk het meest gebruikte systeem. Hierbij geven topo’s aan hoe steil de wand ongeveer is. Ondubbelzinniger kan bijna niet, maar steilte zegt niet alles over de moeilijkheidsgraad. De terreingesteldheid speelt daarbij ook een rol. Een smal 45 graden couloir is iets anders dan een open wand in dezelfde steilte.
Veel Duitstalige topo’s geven een globale typering van de steilte aan met termen als sanft, mittel, steil en sehr steil. Vaak staan ze omschreven in de topo zelf.
Rother Skiführer
De in Oostenrijk en Zwitserland veel gebruikte Rother skigidjes hebben geen ondubbelzinnig systeem. Deze gidsjes geven bij elke tocht onder het kopje Anforderungen een korte uitleg hoe moeilijk de tocht is en of deze geschikt is voor beginnende en/of gevorderde skiërs. Steilte wordt vaak aangegeven als steil, mittel steil, zoals hierboven beschreven.
Klassiek
Dit systeem is afgekeken van het traditionele alpiene waarderingssysteem. Het werkt met dezelfde letters als de internationale alpiene gradaties. Deze manier heeft als voordeel dat het -net als bij alpiene klimmen- de algehele moeilijkheidsgradatie en het gevaar (met uitzondering van het lawinegevaar) in ogenschouw neemt. Dit systeem wordt onder andere gebruikt door de Zwitserse Alpen Club.
- F/L: (facile / leicht): Grote open en glooiende hellingen.
- PD/WS: (peu difficile / wenig schwierig) Iets steilere hellingen met af en toe nauwe passages.
- AD/ZS: (assez difficile / ziemlich schwierig ) Hellingen die continu rond de 25 graden zijn.
- D/S: (difficile / schwierig) Serieuze hellingen van rond de 35 graden, een val kan hier ernstige gevolgen hebben.
- TD/SS: (très difficile / sehr schwierig) Steil terrein skiën. Hellingen van rond de 45 graden. Voor goede ervaren skiërs; de gevolgen van een val kunnen fataal zijn. Soms zijn het steile maar relatief niet gevaarlijke ED. afdalingen.
- ED/AS: (extrèmement difficile / ausserst schwierig) Het terrein van de extreme skiërs. Lange stukken van 50+ graden steil, versmallingen, rotsbanden. Een val is naar alle waarschijnlijkheid dodelijk.
Traynard
Het klassieke (Zwitserse) systeem wordt vaak gebruikt in combinatie met het Traynard systeem. De S staat voor Ski, het cijfer voor de moeilijkheidsgraad. Verder is elk cijfer aan te vullen met een plus of een min.
- S1 : Gemakkelijk skiën, en goede pisteskiër kan goed uit de voeten in dit terrein. Glooiende bossen en licht glooiende hellingen vallen onder S1.
- S2 : Grote open hellingen, niet al te steil, maximaal 25 graden.
- S3 : Grote steile hellingen, tot ongeveer 35 graden. Gecontroleerd kunnen skiën is een vereiste. Terrein voor ski-alpinisme en freeride.
- S4 : Tot ongeveer 45 graden bij open en gemakkelijke hellingen en 40 graden bij gevaarlijke en technische afdalingen. Smalle couloirs en hellingen boven rotswanden kunnen in deze categorie vallen. Gevaar aanwezig.
- S5 : Moeilijk skiën, waar een perfecte techniek samen moet gaan met mentale rust. Alleen voor zeer ervaren skiërs. Tot 50° bij relatief ongevaarlijk terrein, tot 45° bij gevaarlijk terrein.
- S6 : Zeer moeilijk terrein, zeer gevaarlijk. Steil, tot 60°. Een val heeft vrijwel zeker fatale gevolgen. Komt overeen met het soleren van moeilijke alpiene routes.
- S7 : Als S6 maar met sprongen over rotsbanden in zeer gevaarlijk terrein.
Blachère
Het Blachèresysteem komt nog steeds voor in veel topo’s van het Mont-Blancmassief. Op zich een aardig systeem omdat het ook de benodigde alpiene kwaliteiten van de skiër aangeeft. Het grote nadeel van dit systeem is dat het behoorlijk subjectief is. Het benoemt namelijk de kwaliteiten van de skiër die nodig zijn om een bepaalde lijn te skiën.
Tevens zijn de stappen in dit systeem wat groot. Iemand die prima een SM-afdaling kan skiën, heeft mogelijk grote moeite met een gemakkelijke BS-afdaling. Bij dit systeem blijft het inschatten van steiltes en terrein op topografische kaarten erg belangrijk.
- SM: (skieur moyen / gemiddelde skiër) Skiër die in gemakkelijk terrein rustige bochtjes draait, spitzekehren weet te maken en kan sideslippen op 25 graden steil terrein.
- BS: (bon skieur / goede skiër) Skiër die ongeacht de kwaliteit van de sneeuw assertief bochten kan draaien tot een steilte van ruim 35 graden. Eventueel couloirs en steile wanden.
- TBS : (très bon skieur / erg goede skiër): Skiër die gesprongen bochten in steil terrein beheerst. In terrein waarin vallen ‘verboden’ is. Steile en smalle couloirs.
- EBS: (extrêmement bon skieur / extreem goede skiër) Extreme skiër die in moeilijke complexe en steile lijnen kan skiën. Terrein waar het mentale aspect belangrijk is. Verglijkbaar met het soleren van klimroutes.
Aan deze waarderingen kan een A toegevoegd worden, wanneer het belangrijk is om meer kennis te hebben van de algemene alpiene kennis (stijgijzergebruik, spleetredding, zekeringstechnieken).
Het spreekt voor zich dat de benodigde alpiene vaardigheden bij een EBSA duidelijker moeilijker (ijsklimmen, ijsbijlgebruik e.d.) zijn dan bij een SMA (voornamelijk spleetredding).
Toponeige (Volopress)
Eigenlijk is het Toponeigesysteem een uitbreiding op het hierboven beschreven Traynardsysteem. De Toponeige-gradatie lijkt het meest op de franse sportklimgradaties. Het systeem bevat vijf niveaus die alle in drie subniveaus zijn opgedeeld. Alleen het vijfde en moeilijkste niveau is ‘open’. In het Mont-Blancmassief zijn enkele wanden met de waardering 5.5 of 5.6 gewaardeerd.
Dit systeem is in Frankrijk zeer populair, op websites, in topo's en op ski-forums is dit het meest gebruikte systeem.
- Ski 1: Terrein voor beginnende off-piste en toerskiërs. Maar het is al wel alpiene terrein en geen langlaufterrein meer. Hellingen zijn niet steiler dan 30 graden; ze zijn zelden langer dan 800 meter. Het lawinegevaar is vaak gering.
- Ski 2: Niet heel steil (tot 35 graden) maar er wordt meer techniek van de skiër verwacht (couloirtjes, bossen etc). Een val kan vervelende gevolgen hebben. Deze afdalingen zijn duidelijk langer.
- Ski 3: Begin van het zogenaamde ski-alpinisme. Steile en technische hellingen. Lange steile wanden van zo'n 35 graden, korte passages tot 45 graden. Steile paden en steile bossen.
- Ski 4: Steil terrein, couloirs en pittige wanden. Lange stukken 40 à 45 graden (+ 200 m). Echt alpiene terrein.
- Ski 5: Erg steile wanden en couloirs. Vanaf 45 graden (+ 300m) en 50 graden (+100m). Een val zal hier vrijwel altijd ernstige gevolgen hebben.
Deze Toponeige-waardering wordt gecompleteerd met een zogenaamde expositietabel. Deze tabel geeft de gevaren van de helling aan. Hierbij moeten wel de heersende condities in oogschouw worden genomen. Op een verijsde wand van 35 graden is stoppen zo goed als onmogelijk, terwijl in 45 graden met poeder een val minder problematisch is.
- Expositie 1: Bomen en stenen vormen geen gevaar bij eventuele vallen. Harde sneeuw kan natuurlijk wel pijnlijk zijn.
- Expositie 2: Wanden waarbij een val gevaarlijk is of kan zijn, maar waar er nog steeds een goede kans bestaat om er zonder ernstig lestel vanaf te komen. Rechte couloirs, open wanden en glooiende hellingen met rotsbarrières vallen hieronder.
- Expositie 3: Hellingen waarbij een val ernstige gevolgen kan hebben. Steile kronkelende couloirs en open grote steile wanden met rotsbarrières en seracs. Grote kans op ernstig letsel. Vallen is dus ‘verboden’.
- Expositie 4: Gevaar! Er is bij een val weinig kans om het er levend af te brengen.
Om dit systeem nog completer te maken, wordt nog de standaard alpiene gradatie toegevoegd voor de beklimming van de te skiën berg. Deze alpiene waardering begint met R (randonneur, wandelaar) en gaat door tot TD wat precies gelijk is aan het alpiene TD.
Pic Blanc de Galibier (Cerces, Hautes Alpes): Een glooiende tocht die nergens echt steil is. Vlak onder de top is een kleine helling die ongeveer 30 graden steil is.
- Steilte systeem: max 30 graden glooiend tot matig steil
- Klassiek systeem (Zwitsers systeem): F+
- Traynard systeem: S1
- Blachère gradatie systeem: SM
- Topo neige systeem: S 2.1, E 1, R
Couloir de la Rouya (Écrins): Een bijna duizend meter lang couloir met een aantal erg smalle ‘bottle-necks’. De steilte is maximaal 45 graden.
- Steilte systeem: 45 graden matig tot zeer steil
- Klassiek systeem (Zwitsers systeem): TD
- Traynard systeem: S4+
- Blachère gradatie systeem: TBS
- Topo neige systeem: S 4.3 E 2, AD-
Ciaforon noordwand (Gran Paradiso). Deze wand is zeer steil, passages tot 60 graden, een aantal rotsbanden maken een val zeer gevaarlijk; ook de lengte van zo’n 890 meter is niet gering.
- Steilte systeem: max 60+ graden, overwegend 50 graden, zeer steil
- Klassiek systeem (Zwitsers systeem): ED+
- Traynard systeem: S6+
- Blachère gradatie systeem: EBSA
- Topo neige systeem: S 5.4 E 4 AD+
Kijk voor het toerskiprogramma op www.skitoeren.nl