Bergsportreizen voorjaar_winter 2012
NKBV-bergsportreizen 2012 klein
tukhut
Regiobanner
Adverteren bij de NKBV

Beklimming van ‘de makkelijkste berg’ in Bolivia, 2006-4

De Huyana Potosi is een relatief gemakkelijk te beklimmen zesduizender. Dat ontdekten ook Jona Dekker en Mathijs van Beusekom toen ze op de fiets Bolivia doorkruisten. Ze lieten zich al snel verleiden voor een tocht naar de top. Hieronder hun verhaal.

Tekst: Jona Dekker

Hoogvlakte
We rijden met onze inheemse chauffeur de slingerende steile straatjes omhoog van Bolivia’s hoofdstad La Paz: zijstraten vol stof, een taxi met een verbaasd kijkende lama op de achterbank. Twee dagen geleden reden we hier al jubelend naar beneden met onze fietsen, wàt een geweldige stad zo in het dal aan de rand van de Boliviaanse hoogvlakte. Maar nu de zon schijnt tovert het uitzicht ronduit een brede lach op mijn gezicht. De 6439 meter hoge Illimani, verreweg de hoogste berg in de omgeving, glinstert majestueus boven de stad. Eeuwige kale bakstenen schilderen de huizen in een eentonig rood dat verdacht veel lijkt op de bergwanden erachter. La Paz ligt geografisch gezien op een heel veelzijdige plek: in het zuiden vind je de hoogvlakte, in het noorden het Titicacameer, in het noordoosten achter een bergkam de jungle en in alle richtingen hoge, hoge bergen.

Als ik mijn hoofd een kwartslag draai, zie ik onze bestemming al. De Huayna Potosi (6088m), mijn eerste berg-met-gletsjer en voor ons allebei een nieuw hoogterecord, piekt al boven de helling waar we tegenop rijden uit. Ik voel een prettige spanning in mijn buik opkomen en moet de neiging om steeds te zuchten onderdrukken. 

Eitje
Eigenlijk was het plan om een beetje te gaan rotsklimmen in de omgeving van La Paz. De meeste toppen zijn er zo hoog dat alpiene routes er niet inzaten, zeker niet voor mij als groentje. Ik had immers nog nooit een stijgijzer van dichtbij gezien? Een reclamefoto met onderschrift in ons backpackershotel deed ons de plannen spontaan wijzigen.

‘Take a tour to the Huayna Potosi (6088m) for 100$’, stond er onder de foto van een berg, waarover rode lijnen getekend stonden naar ‘La cumbre’. Volgens de medewerker van het hotel ‘de makkelijkste berg van Bolivia’. Zelf zag de Boliviaan eruit of hij nog niet vaak een top beklommen had. Maar, zo verzekerde hij ons, iedereen kan de Huayna Potosi ‘doen’, als je maar een paar dagen op hoogte bent. Voor ons, al twee weken fietsend op 4000 meter boven het Nederlands peil, moest het dus helemaal een eitje zijn. Wel een spannend eitje, omdat we de verkoperpraatjes van de hotelfiguur niet helemaal vertrouwden. We kozen dan ook voor de lange, ‘drie dagen’-tour. De eerste dag als extraatje voor mij, zodat ik met uitleg van gids èn vriendje vast een beetje maatjes kan worden met mijn stijgijzers.

Stilte voor de storm
Na La Paz is het aan de voet van de Huayna Potosi een andere wereld. Geen drukke busjes met schreeuwende jongens die uit het raam hun bestemmingen roepen. Alleen stilte en zo nu en dan een auto waar een paar klimmers uitstappen. Geen huizen maar alleen rotsen. Een groepje rugzaktoeristen daalt traag af langs het spoor waar wij die dag omhoog gaan. ‘We hebben het niet gehaald’, zeggen twee van de vier als ze een kwartier later tegenover ons staan met hun vermoeide gezichten. ‘We zijn onder aan de laatste wand terug gekeerd.’ We vragen ze hun bezwete hemden van het lijf. ‘Is het moeilijk?’,  ‘Waren jullie hoogteziek?’, en ‘Hoe is jullie conditie?’. Maar niemand kan ons het antwoord geven op de vraag: ‘Gaan wij het halen?’

Die middag struinen we al omhoog van 4700 naar 5000 meter. We klooien wat met onze stijgijzers aan de voet van de gletsjer, die de halve berg bedekt als een dikke, witte deken, en constateren opgelucht dat we volledig geacclimatiseerd zijn. Het wordt echt leuk als we van onze Boliviaanse gids, de 23-jarige Juan, een licht overhangende ijswand mogen beklimmen. Handig gaat hij ons voor, als een spin klautert hij aan de minder steile zijkant tegen ijstoren op en draait boven aan een schroef in het ijs. Daarover worden we vervolgens toprope gezekerd. Dit is recreatie, niks afzien.

De zekermaterialen zijn van eersteklas westerse merken. ‘Hoe kunnen ze dat hier betalen?’, vragen we ons hardop af. Bolivianen verdienen gemiddeld 2 euro per dag, dus die klimmers moeten rijk zijn! Maar jongens zoals Juan verdienen aan Westerlingen, dat scheelt misschien. Bovendien, zo stel ik me romantisch voor, leven ze voor de bergen, ze hebben niet meer nodig. Juan heeft al heel wat toppen in zijn land beklommen. De Huayna Potosi ‘doet’ hij gemiddeld twee keer per week, voor toeristen, laat hij met een uitgestreken gezicht weten. Het gidsen op zo’n hoge berg is geen onbekende, gevaarlijke tocht meer voor hem, maar eentonig routinewerk. Elke spleet, scheur of morenewal kent hij op zijn duimpje.

Die avond, weer terug in het basiskamp, kookt de gids zelfs voor mij als vegetariër prima, wat héél bijzonder is voor Boliviaanse begrippen. Het kan bijna niet anders of vegetariërs zijn hier met uitsterven bedreigd. We worden hier veel beter verzorgd dan door Europese gidsen, voor veel minder geld. Als enige stel mogen we zelfs in het kleine huisje bij het basiskamp slapen. Tot ergernis van de drie andere toeristen in het kamp. ‘Ons is een bed beloofd!’, laten ze ons in het Engels weten, waarna ze morrend hun gidsen volgen in twee goedkoop ogende koepeltentjes. Wij daarentegen liggen gezond moe en tevreden, al om zeven uur, in onze slaapzakken op goed isolerende stromatrassen. Tot nu gaat voor ons alles goed. Morgen wacht de eerste lange dag.

Op naar de top
Op naar 5130 meter. Na het ochtendritueel de volgende dag zijn we om halftien klaar voor het eerste deel van de tocht. 430 Meter hoger ligt, aan de rand van de gletsjer, het Rock Camp waar vandaan we vannacht de top hopen te bereiken. Vandaag komen we nog geen sneeuw tegen, want de sneeuwgrens ligt hier rond de evenaar veel hoger dan in Europa. Het allereerste pad is kinderspel: de torenhoge betonnen wand van het stuwmeer naast het basiskamp. Vanaf hier kan je de Huayna Potosi met helder weer goed zien, maar nu zijn er witte mistflarden die de bergen om ons heen steeds verder laten verdwijnen. De lucht is onwaarschijnlijk fris, maar flinterdun.

We lopen over rotspaadjes (ik hijg), steilere rotspaadjes (we hijgen in koor, ik hijg alsof ik een kettingroker ben die de marathon loopt) en ten slotte klauteren we over een moordend steile morenerug (ik loop inmiddels achteraan). Al bij de eerste pauze sluiten de anderen, die later vertrokken zijn, zich bij ons aan. Het zijn een Canadees, een Belg en een Fransman, alledrie Franstalig en gelukkig ook Engelssprekend. Onze gidsen zijn vier gedrongen, indiaans ogende Bolivianen. We praten weinig onderweg, we delen schaarse Spaanse woorden. Ademen is al moeilijk genoeg, laat staan dat we erg veel over hebben om onzinnige gesprekken te voeren.

Het is een tocht van maar een paar uur, maar de hoogte wint het langzaam van mijn uithoudingsvermogen. Ik ben van nature gelukkig optimistisch. Ik volg de groep meters voor me op de morenerug – een oerstijle helling van grote grijze blokken waarover een bijna onzichtbaar ‘pad’ loopt –, als een hondje dat eeuwig achter een hengel met een worstje aanrent. Eeuwig fanatiek. ‘Ik ben de enige vrouw’, praat ik mezelf moed in. Eén ander, de Fransman heeft het net zo zwaar als ik, of misschien nog wel zwaarder. Hij heeft hoofdpijn en is moe, zegt hij, als we samen achteraan lopen. Net als we het erover eens zijn dat het niet leuk meer is, horen we boven ons: ‘We zijn er!’.

De Fransman moet kotsen en gaat beroerd in zijn tent liggen. Hij heef duidelijk last van hoogteziekte, maar hij wil nog niet naar beneden. Hij heeft als doel om op zijn wereldreis ‘een zesduizender te beklimmen’. ‘Wel goed naar je lichaam luisteren, hè’, verzekeren we hem. We proberen allemaal om brood met avocado en tomaat naar binnen te werken. Het is lekker, maar het vult veel te snel op deze hoogte, onze spijsvertering is te traag voor een Bourgondische maaltijd. Ook slapen is niet makkelijk, maar we zullen er toch aan moeten geloven. Bedeesd klimmen we om drie uur ’s middags al in onze geïmproviseerde bedden. Het is koud, veel te vroeg en het eten ligt zwaar op de maag. Ik moet denken aan de heldhaftige verhalen van klimmer Joe Simpson. Wij liggen op rozen: we moeten niet zeuren, denk ik, net voordat ik wegdommel in een onrustige halfslaap.

De maan is onze herder
Twaalf uur ‘s nachts: Juan wekt ons met een vrolijk ‘ontbijt!’. Ik hoef mezelf niet te knijpen. Ik lig nog steeds op een strobed in een blauwe, vierkante tent op een hoge berg. Het avontuur gaat beginnen.

Nog geen vijf minuten en een wit bolletje met banaan later wurmen we ons in de iets te grote, geleende sneeuwpakken, onze plastic D-schoenen, handschoenen, muts en klimgordel. Buiten binden we aan de rand van de gletsjer onze stijgijzers onder. Mijn pickel dient in het begin als wandelstok, zegt Juan. Terwijl ik door hem vastgeknoopt word, kijk ik om me heen. De maan schijnt helder. We hebben ons hoofdlampje niet nodig om te zien waar we heen gaan. Ik volg het spoor dat velen ons voorgingen: een smalle inkeping gemaakt door zwoegende voeten in de gladde sneeuwvlakte.

Wat volgt is een bizarre wandeling in het maanlicht. Gebogen loop ik over de steile sneeuwhellingen, hijgend om de schaarse zuurstof uit de lucht te filteren. Het is een ritme, pickel-stap-stap. Verder is er geen geluid. Af en toe kijk ik op uit mijn oude-vrouwtjes-houding om de in wolken gehulde toppen aan de overkant van het dal te zien. Los van de gele lichtjes van La Paz ver onder ons, is alles gehuld in een zacht blauwig maanlicht.

We klimmen dertig meter over een loodrecht stuk ijs, lopen weer verder en moeten af en toe over een spleet springen. We zeggen alleen dingen tegen elkaar uit absolute noodzaak. Zoals: ' even uitrusten', of 'even wat water en iets eten'. Het snot uit mijn loopneus is halfbevroren en de chocoladerepen die we bij ons hebben keihard. En de hele tijd heeft onze gids een klein beetje haast, want in het donker over een gletsjer lopen is veiliger. Nu is de sneeuw nog stroef en het ijs eronder nog hard.

Tegen de tijd dat de zon boven de horizon uit gluurt hebben we het laatste deel van onze tocht bereikt. We staan onder een tweehonderd meter hoge sneeuw- en ijswand met een hellingshoek van 45 graden, op praktisch 6000 meter hoogte. Ik heb het niet meer! Mathijs is moe en heeft hoofdpijn, zegt hij. Ik ben duidelijk nog veel moeër en heb ook hoofdpijn. ‘Ik weet niet of ik het nog kan’, zeg ik half jammerend tegen mijn maatje.

En toch staan we een uur later opgelucht op de top. Allemaal, behalve de zieke Fransman, die is omgekeerd na nog meer overgeven. Ondanks een enigszins moedeloze jankbui halverwege de ijswand, heb ik het gehaald!

Onze beloning is het uitzicht: a-dem-be-ne-mend. De wolken, ver beneden ons, worden fel beschenen door de mooiste opkomende zon die ik ooit gezien heb. Mijn fototoestel klikt, bijna voor het eerst deze tocht. We zien het Titicacameer in de verte. En daar waar geen witte en zwarte toppen door de wolken heen pieken, daar waar alleen maar een eindeloze witte deken tot aan de horizon reikt, daar moet het amazonewoud zijn. Een kort moment voel ik diepe ontroering, en trots.

Maar de glorie duurt niet lang, want zodra we een blik omlaag werpen beseffen we: we moeten nog helemaal terug. Nog steeds met kloppende hoofdpijn maar ook met frisse moed. Straks liggen we in een bed in La Paz! ‘Zuurstof!’, piept een stemmetje in mijn hoofd. Maar eerst nog een paar uur buffelen. Deze tocht is het zwaarste maar ook het meest bijzondere wat ik ooit heb gedaan, bedenk ik me voordat we afdalen. Ook wel een beetje absurd: mijn eerste gletsjer, zo hoog…

 

 

Laatste wijziging 06-09-2006
Lowe Alpine
Adverteren bij de NKBV